Welbevinden en betrokkenheid zijn, samen met de begrippen competentie en verbondenheid, belangrijke begrippen binnen de KinderCampus.
Het welbevinden verwijst naar hoe het kind zich voelt. Zelfverzekerd, gewaardeerd of juist onzeker, (faal)angstig. Bij een positief welbevinden kan het kind zich verder ontwikkelen.
Als een kind ergens betrokken mee bezig is, is hij geboeid en beleeft hij het intens. De activiteit of het onderwerp zullen hem of haar daardoor langer en beter bijblijven.
Als het welbevinden en/of de betrokkenheid geheel of gedeeltelijk afwezig zijn, is een kind niet of onvoldoende in ontwikkeling. Binnen de KinderCampus kijken we per kind op welke manieren de betrokkenheid of het welbevinden verhoogd kunnen worden. Dit zijn de basisvoorwaarden om tot ontwikkeling en ontplooiing te komen.
Competentie verwijst naar het fundamentele leren dat leidt tot veranderingen in het gedrag. In het onderwijs gaat het niet meer alleen om kennisoverdracht. Een basishoeveelheid parate kennis hebben we nodig, maar veel meer gaat het erom of kinderen in staat zijn hun kennis en vaardigheden op de juiste wijze en in de juiste situatie in te zetten en toe te passen.
Het begrip competentie heeft betrekking op alle niveaus van je persoonlijkheid. Het gaat om je zelfbeeld, het inzicht waar je goed in bent en waar je zwakke kanten liggen. Weten waarom je iets fout hebt gedaan. Je eigen leerproces kunnen sturen: inzicht hebben in je ontwikkelingspotentieel.
Mensen die zich verbonden voelen met anderen en hun omgeving zullen er zorg voor dragen, er trots op zijn en het niet willen beschadigen. Op de KinderCampus stimuleren we de kinderen tot activiteiten waarbij verbondenheid van kinderen met zichzelf, met elkaar en met hun omgeving een rol speelt.
|